Glabbeek, Sint-Niklaaskerk

Printvriendelijke versiePrintvriendelijke versie

Locatie: Dries, 3380 Glabbeek, GPS-coördinaten: 50.872997, 4.948948
Contactgegevens bezoek kerk
Tijdstippen eucharistievieringen

De patroonheilige van de kerk van Glabbeek is de Heilige Nikolaas, een vermaard volksheilige. Van hem wordt verteld dat hij bisschop was van Myra (tegenwoordig Dembre, in de buurt van het Turkse Adalia). Hij leefde in de tweede helft van de 3de en eerste helft van de 4de eeuw en nam deel aan het Concilie van Nicea (van 20 mei tot 25 325).

In onze streken staat Sint-Nikolaas vooral bekend als de grote kindervriend. De kern van de legenden rond deze heilige is van Griekse oorsprong en verhaalt over de hulp van Sint-Nikolaas aan drie onschuldig veroordeelde schipbreukelingen of over drie arme meisjes, aan wie de heilige man in het geheim geld gaf, zodat ze konden trouwen. Het beeld van de patroonheilige in de kerk van Glabbeek refereert evenwel naar drie kinderen die tijdens een hongersnood om het leven waren gebracht en die door de Sint weer tot leven werden gebracht.

Vanaf de 6de eeuw werd hij in het Oostelijke deel van het Romeinse Rijk vereerd. Zijn gebeente scheidde een vloeistof af, die opgevangen werd en waaraan een miraculeuze werking werd toegeschreven. Bronnen uit die tijd spraken van “Myron”, waarschijnlijk afgeleid van de naam van de stad. Tot op de dag van vandaag wordt er uit het graf van de heilige het wonderbare Manna gewonnen.

In de Orthodoxe Kerk staat Sint-Nicolaas in zeer hoog aanzien. Binnen het panorama van de heiligen staat hij op de tweede plaats, na de Heilige Maagd Maria. Tot in het jaar 1917 was hij de officiële beschermheilige van het tsaristische Rusland.

Hij is ook de beschermheilige van de scholieren, kinderen, schippers, kooplieden, juristen, gevangen, bakkers en apothekers. Hij wordt door deze twee laatste beroepen aangeroepen omdat er in de middeleeuwen beelden werden vervaardigd, waarop de drie bollen (verwijzing naar de goudstukken die hij aan de arme meisjes schonk) ook als broden werden voorgesteld. De apothekers vonden dan weer dat de bollen naar hun pillen verwezen, die ze draaiden.

Vanaf de 9de eeuw werd hij ook in Rome en Italië vereerd en vanaf de 10de eeuw ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland. In het noorden van Europa werd zijn verering vooral verspreid door de Hanze, een groepering van West-Europese handelssteden, waar de handelaars een recht moesten betalen om er hun goederen te mogen verkopen. Je moet namelijk weten dat Glabbeek in de buurt lag van de oude handelsweg, die Brugge met Keulen verbond.

Sedert 1087 ligt het gebeente van de heilige in de havenstad Bari. De manier waarop het in het zuiden van Italië is terecht gekomen is een waar zeeroversverhaal.

Toen de Noormannen in 1071 Bari, dat tot dan de hoofdstad van een Byzantijnse provincie was geweest, innamen en het politieke centrum naar Salerno op Sicilië verplaatsten, ging het bergaf met de economie in de havenstad aan de Zuid-Italiaanse kust. Daarom leek het bisschop Ursus een goed idee om het gebeente van een belangrijke heilige naar de stad over te brengen. Zo een heilige betekende bedevaarders, die centen opdeden en dat was dan weer goed voor de plaatselijke economie. Er is op dat vlak niets nieuw onder de zon.

In het voorjaar van 1087 voeren drie schepen de haven van Bari uit om handel te drijven op de kust van het huidige Turkije. Maar ze hadden ook een geheime missie: het gebeente van Sint-Nikolaas roven. Toen ze onderweg vernamen dat ook de Venetianen hun zinnen gezet hadden op de heilige, maakten ze komaf met de zaak. Ze gingen aan wal en bereikten enkele mijlen landinwaarts de basiliek waar de heilige begraven lag. Enkele monniken, die de wacht hielden in de kerk, toonden hun de plaats waar de vloeistof, die uit de sarcofaag sijpelde, werd opgevangen.

Toen de monniken beseften dat de Italianen gekomen waren om hun heilige te stelen, trachtten ze dat te beletten. Ze werden overmeesterd en gedwongen om de exacte locatie van het graf aan te duiden. De marmeren vloer werd opengebroken en men stuitte op de kist, die helemaal gevuld was met de vloeistof, die uit het gebeente van de heilige droop. Het geraamte werd zo goed en zo kwaad als het ging verzameld en in zijden doeken gewikkeld. Daarna werd het naar het schip gedragen. Toen de zeelieden opnieuw de zee opvoeren, werden ze achterna gezeten en verwenst door een groot aantal inwoners van Myra.

Op 8 mei 1087 landden de schepen in de haven van San Giorgio, in de buurt van Bari. De stad werd onmiddellijk verwittigd dat de opdracht geslaagd was. Maar er brak een twist uit tussen de bisschop Ursus, die de eigenlijke opdrachtgever van de missie was geweest, en de inwoners van de Bari, daarin gesteund door de rovers. Het dispuut betrof de vraag of men Sint-Nikolaas in de bestaande kerk zou begraven – het voorstel van de bisschop – ofwel een nieuwe kerk zou bouwen. Er braken rellen uit waarbij twee doden vielen. De bisschop trok aan het kortste eind. Ondertussen had men de resten van sint Nikolaas in bewaring gegeven in het Benedictijnenklooster (op 9 mei 1087).

Bisschop Ursus overleed in februari 1089. In hetzelfde jaar wijdde zijn opvolger de nieuwe kerk in aanwezigheid van paus Urabnus II – die we nog kennen van de eerste kruistocht. De paus legde eigenhandig het gebeente in de crypte onder het altaar.

Dat de diefstal, uitgevoerd door christenen tegenover christenen, zonder schroom gebeurde en zelfs in opdracht van een bisschop, kan alleen verklaard worden door het feit dat er een schisma of breuk bestond tussen de Westerse en Oosterse kerk sedert 1054. Daarbij hadden de paus van Rome en de Metropoliet van Constantinopel elkaar wederzijds in de ban geslagen, een ban die tot op vandaag maakt dat er twee kerkgemeenschappen zijn, de Rooms-Katholieke en de Orthodoxe Kerk.

Door de verering van Sint-Nikolaas herwon Bari aan belang in de westerse wereld en er kwamen talrijke bedevaarders naar de basiliek van San Nicola. Vanuit Bari vertrokken ook vele kruisvaarders op kruistocht. Ze gingen eerst bidden op het graf vooraleer aan de gevaarlijke oversteek naar het Heilige Land te beginnen. Dit kan ook het geval geweest zijn voor Friso van Glabbeek, die deel uitmaakte van het gevolg van hertog Godfried III van Leuven, die in 1183 door keizer Frederik Barbarossa met 300 ridders naar het Heilige Land werd gestuurd om tegen sultan Saladin te vechten.

De huidige kerk staat niet op dezelfde plek waar de oorspronkelijke heeft gestaan. De huidige kerk dateert uit het einde van de 19de eeuw en werd opgetrokken op de plek waar de dorpsvijver lag. Het is een driebeukig neogotisch gebouw. Het interieur is vrij interessant en bevat oude beelden uit de 16de en 17de eeuw. Een ervan is Sint-Sebastiaan, de patroonheilige van de plaatselijke schuttersgilde. De gilde bezat tegenover de huidige kerk op de Dries een gildehuis, dat men eertijds “Het Schuttershuys” noemde. Het bestaat nog steeds en tot voor enkele jaren baatte Malvine weduwe Nys er een gezellige dorpsherberg uit.

Het gebouw heeft wel enkele wijzigingen ondergaan. Zo beschrijft Wauters in 1872 nog een gebouw met laat-middeleeuwse stenen vensters met dwarskruis. Het huis draagt wel nog steeds een gevelsteen met de boog en het jaartal 1776, de datum waarop waarschijnlijk een wijziging aan het huis werd aangebracht. Op 10 juli 1766 verhuurden de hoofdman, de koning, de dekens en de gezworenen van de schuttersgilde in naam van hun gezellen het Schuttershuis voor een periode van 6 jaar op voorwaarde dat de gildekamer steeds tot hunner beschikking zou staan. De huurprijs werd vastgesteld op 13 guldens en 10 cent, te betalen op de feestdag van Sinte-Sebastiaan (20 januari). Ze beloofden dat ze hun drank van de huurder zouden afnemen op voorwaarde dat deze hen bier van goede kwaliteit zou leveren. Dat betekent dat het Schuttershuys reeds zeker vanaf 1766 een herberg is geweest. Misschien stond er op dezelfde plek zelfs een brouwerij, die in de 16de eeuw toebehoorde aan Antoon Godschalcx. Deze laatste had van het domein (van de hertog van Brabant) toelating gekregen om er een brouwketel (brouw getouwe) te installeren en om er water te putten.


De vroegere kerk stond op het kerkhof

Dankzij Wauters beschikken we nog over een beschrijving van het uitzicht van de oude kerk, die oorspronkelijk op het kerkhof heeft gestaan. De dodenkapel, die nu midden op het kerkhof staat, is gebouwd met stenen van de oude dorpskerk. Volgens Wauters bestonden de fundamenten en de basislaag van het koor uit natuursteen. Waarschijnlijk waren dat de laatste restanten van de allereerste stenen kerk uit de romaanse periode. Het gebouw bestond voor de rest helemaal uit baksteen. De vierkante toren bevatte maar een klok. Het schip telde twee traveeën en het koor slechts een. Het geheel was overwelfd met een plafond en in de muren zaten afgeronde vensters (waarschijnlijk naar hun oorspronkelijke uitvoering nagemaakt in romaanse stijl). De kerk heeft ook een gebeeldhouwd (wit?)stenen doksaal bezeten. Volgens Wauters was er in het begin van de 19de eeuw (1810 ?) nog een verbouwing uitgevoerd.

Uit de beschrijving blijkt dat het gebouw in een vrij armoedige staat verkeerde en het is dan ook niet verwonderen dat het te kleine kerkje vervangen werd.

In 1235 doet de heer van het dorp, Aloysius van Glabeke, afstand van zijn recht op de tienden, die hij had verworven uit de nalatenschap van zijn overleden ouders in 1231, ten voordele van de abdij van Heilissem. De abdij moest wel zorgen dat er een pastoor in het dorp de kerkdiensten verzorgde. De overdracht werd bevestigd door Goswin van Goetsenhoven in naam van de hertog van Brabant.

De abdij van Heilissem bezat één derde van het patronaat (het recht om een pastoor aan te duiden) van Glabbeek door de afstand ervan door Anselmus van Avendoren. Dat blijkt uit een akte opgemaakt voor de bisschop van Luik, Hendrik II van Leez (bij Gembloux). Deze regeerde van 1145 tot 1164. Paus Alexander III (van 1159 tot 1181) herleidde in 1178 dit recht tot één vierde. De overige kwarten behoorden toe aan de abdij van Terkameren, de abdij van Averbode en het kapittel van de Sint-Germanuskerk van Tienen, die er op 29 en 31 juli 1241 afstand van deden.

De abdij van Terkameren inde ook een deel van de tienden in het dorp, een recht dat ze verworven hadden vanwege leer Leo van Rode (voor 1231) en dat ze op 19 juli 1292 verpachtten aan de abdij van Heilissem tegen betaling van 15 Leuvense ponden. Toen beide abdijen het oneens werden over het pachtgeld, werd de eis, die door tussenkomst van de abt van de Leuvense Sint-Geertrui-abdij namens de deken van de Sint-Romboutskerk van Mechelen, als beheerder van de belangen van de orde van Citeaux, bij de Raad van Brabant was ingeleid, door de Raad afgewezen (25 augustus 1311).

In 1412 werden Michiel Thys en Jan Frericx uit Glabbeek gedood door Willem van Dalem, Arnold Noytens, Arnold Beekman en Arnold Vernyen. De daders zochten daarop hun toevlucht in de kerk, waar ze werden belegerd. De drossaard van Brabant gaf hen pardon op verzoek van hun ouders en vrienden. Ze moesten wel een boete betalen, die omwille van hun gebrek aan middelen herleid werd tot 200 kronen (oftewel 38 ponden 6 stuivers en 8 penningen Brabantse grossen).

Glabbeek moet tot in de 16de eeuw een welvarend dorp geweest zijn. In 1578, toen in onze contreien volop de godsdienstoorlog woedde en op een bepaald moment alle provincies in opstand waren tegen het gehate gezag van koning Filips II, werd de oogst volledig vernield door Spaanse soldeniers en de velden bleven onbewerkt tot in 1582. Het staat ook beschreven dat de kerk van Glabbeek rond de eeuwwisseling van de 16de en 17de eeuwen in erg slechte toestand verkeerde. Ze werd namelijk bewoond door enkele families, wiens huizen waarschijnlijk vernield waren door de Spanjaarden.

De leeggeroofde kerk werd van instorting gevrijwaard door de pastoor, die met behulp van enkele balken de het schip en de zijbeuken schraagde. Ondanks de protesten van de bevolking, overschilderde de deken eigenhandig een deel van de ongetwijfeld prachtige muurschilderingen en gaf opdracht dat men de rest verwijderde omdat ze aanstaat gaven (quas partim erasi, partim jussi quidem tolli). De abdij erkende haar onderhoudsplicht en liet opmeten wat er allemaal moest hersteld worden. In 1606 wijdde de deken het kerkhof en drie altaren in ; de nog bestaande van Sint-Nikolaas en van O.-L.-Vrouw en ook Sint-Catharina, dat nu verdwenen is. In 1607 drong de districtsdeken er sterk op aan om tenminste het koor vrij te maken. Dat laatste stond evenals de rest van de kerk nog vol met meubels van mensen die er hun toevlucht hadden gezocht. In 1608 herstelde men het plafond (tabulatum) van het schip, waarvan het dak in zo een slechte staat verkeerde dat de vogels er vrij in en uit konden vliegen. In 1620 herstelde men het timmerwerk van de toren.

Aan de kerk waren twee beneficies verbonden, die van het altaar van O.-L.-Vrouw en van het altaar van Sint-Nikolaas. Beide beneficies waren te begeven door de abdij van Heilissem. Aan de eerste was in 1683 een wekelijkse mis verbonden. Maar aan het altaar van Sint-Nikolaas, dat later het hoofdaltaar werd, waren slechts 12 missen verbonden. Deze moesten wel altijd door de pastoor zelf opgedragen worden. Aan beide beneficies waren inkomsten verbonden: in 1615 11 guldens voor het eerste en 9 guldens voor het tweede.

In de overgang van 1626 naar 1627 verkeerde de kerk in erg vervallen toestand. De pastoor droeg er alleen op zo- en feestdagen een mis op en preekte slechts sporadisch. Dat leidde tot groot ongenoegen bij de bevolking, die beweerde recht te hebben op 3 tot 4 missen per week.

In 1653 werd een ciborie aangekocht voor de prijs van 175 guldens. In 1661 was er geen enkel spoor meer van enig kerkornament. Toen in 1686 het hoofdaltaar werd vernield en afgebroken, kreeg men op 20 april toestemming om van het altaar van Sint-Nikolaas het hoofdaltaar te maken.

Is het altaar van Sint-Catharina tot 1686 het hoofdaltaar geweest ? Wie zal het zeggen. Volgens Wauters werd de kermis van Glabbeek, die gewoonlijk verwijst naar de inwijding van de kerk, officieel gevierd op de zondag na Sint-Jan (25 juni). Maar momenteel wordt de kermis in Glabbeek gevierd omstreeks 15 september en laat deze datum nu samenvallen met de feestdag van de H. Catharina van Genua. Maar deze heilige werd pas in 1737 heilig verklaard en komt bijgevolg niet in aanmerking voor nominatie van oorspronkelijke patroonheilige.

Feit is dat Sint-Nikolaas twee feestdagen heeft. Iedereen kent 6 december. Aan de vooravond (vigilie) van deze feestdag was het in Spanje en Frankrijk gebruik om goede vrienden een geschenkje te bezorgen. Deze werden verstopt in de schoen omdat de gever dan zeker kon zijn dat het geschenk gevonden zou worden. Dit gebruik werd Zapata (Spaans voor schoen) genoemd.

In Bari en oorspronkelijk ook in de Nederlanden werd Sint-Nikolaas gevierd op 8 mei, de dag waarop het lichaam van de heilige aan land kwam in Italië. Deze gebeurtenis wordt nog steeds uitgebreid gevoerd in Bari met plechtige stoeten en processie, helemaal anders dan hier. Daar kent men de heilige man helemaal niet als de grote kindervriend.

Omdat de Nederlanden onder Spaans bewind stonden en Spanje tevens dat deel van Italiê bezat, waarin Bari lag, kon het gebeuren dat dit gebruik meekwam met de Spaanse bestuurders en troepen in de 16de eeuw. Daarom komt Sint-Nikolaas waarschijnlijk nog steeds uit Spanje en niet uit Italië.

Laten we nog even in de geschiedenis van de oude Glabbeekse kerk duiken. Volgens Wauters heeft de Franse Revolutie een stokje gestoken tussen het voornemen van de abdij van Heilissem om de kerk van Glabbeek te renoveren. Toen de Fransen de Oostenrijkse Nederlanden inlijfden (1 oktober 1795) voerden ze hun bestuurssysteem in. Glabbeek werd de hoofdplaats van een bestuurlijk kanton. De eerste bijeenkomsten van de bestuursleden van het kanton gingen door in de dorpskerk, waarschijnlijk het enige gebouw dat groot genoeg was om alle leden onder te brengen. Toch was de Glabbeekse bevolking al deze veranderingen niet goedgezind want toen in het jaar VII (1798) de Boerenkrijg losbarstte als reactie op de verplichte dienstneming in het Franse leger, werd de kantoncommissaris op de dorpel van zijn huis in de arm geschoten. Het dorp leverde haar deel aan de opstand en de opstandelingen stonden onder bevel van een herenboer, Willem Vandepoel. Deze laatste werd tijdens de repressie na het neerslaan van de opstand door de Fransen veroordeeld tot vier maanden hechtenis.

Zoals alle parochies die afhingen van de abdij van Heilissem bezat ook Glabbeek over een ruime pastorie waar heel wat landerijen aan verbonden waren. Op het einde van de 16de eeuw werd de Glabbeekse pastoor Gaspar Gheeraerts verkozen tot abt van Heilissem. Daarom besliste hij op 18 december 1586 om de hoeve samen met alle aanhorigheden te verpachten voor een periode van 9 jaren. Hij maakte slechts voorbehoud dat zijn opvolgers in het huis de keuken, een slaapkamer en de ontvangstkamer mochten blijven gebruiken. Daarnaast hadden ze recht op de schuur (om er de tienden in te bewaren) en als ze beesten hielden, ook op een varkenshok en koestal.

In 1786 stond het Oostenrijkse bewind pastoor Jan Wafelaerts toe om een lening van 6.000 guldens aan te gaan (18 oktober) teneinde een nieuwe pastorij te bouwen. Dat verklaart de gevelsteen boven de ingangsdeur: “I: W: P: Æ - Anno 1787”.

De pastoor inde de tienden, niet alleen in Glabbeek, maar ook in Zuurbemde en in een deel van Pamelen, dat grotendeels toebehoorde aan Bunsbeek. Daarnaast beschikte hij over 12 bunders grond (volgens Wauters stemde deze oppervlakte overeen met het mansum dat Karel de Grote aan elke kerk had verbonden, waarvan 8 bunders akkerland, 2 weiland en 2 bos. Deze kerkgoederen werden in 1804 voor 12.400 franken verkocht door de Franse Republiek aan Louis-Jean-Marie Festraets, de laatste heer van Zuurbemde, en Adriaan Huyghens. Maar ze werden deels teruggekocht door een voormalig kloosterling van Heilissem, Joseph-Libert Leclercq, die ze op 7 juli 1853 vermaakte aan de kerkfabriek op voorwaarde dat er iedere donderdag een hoogmis zou worden opgedragen.

Op de oude pastorijgronden werd in tweede helft van de 20ste eeuw een grote parochiezaal gebouwd, de Glazuur. In deze gezellige zaal heeft jarenlang een groot deel van het sociale leven van de dorpsgemeenschap plaats gevonden.

Alex Laermans, 2007

Meer over de heilige Nikolaas...