Nieuws uit de parochie

Van gekleurd tot gelogen
ma 16 januari '17

Zondag 15 januari 2017, Tweede zondag door het jaar (jaar A)

Vorige week hadden we het erover dat de God die zich in Jezus Christus laten kennen heeft, zin en betekenis geeft aan ons leven. En dat het geloof in Hem een krachtig antigif is tegen wanhoop en depressie. Dat het je een diepe onderstroom van geluk bezorgt die niet ongedaan gemaakt wordt door al het nare dat je overkomt in je leven. Immers, de gedachte dat alles wat je overkomt, een weg naar Hem zal blijken te zijn, dat we eens helemaal geborgen zullen zijn in Hem, maakt ons ook vrij. Omdat die gedachte helemaal ingaat tegen de beklemmende angst van de moderne mens, geworpen te zijn in een zinloos bestaan, in een eindeloos stil en doelloos heelal. En daarom hebben alle mensen het recht om minstens over dat geloof te horen. Omwille van de bevrijdende kracht die ervan uitgaat. Omwille van het levenselixir dat het voor hen kan betekenen.

Stilgevallen
Je vraagt je af hoe het dan komt dat de evangelisatie- en missioneringsgedachte hier in Vlaanderen helemaal stilgevallen is. Nog maar pas geleden stuurden wij duizenden missionarissen de wereldzeeën op om het Evangelie te brengen tot aan de uiteinden van de aarde. Terwijl wij het nu nog nauwelijks doorgeven in onze eigen kring. In een oproep om daarover eens na te denken eindigde ik vorige week met de nogal uitdagende vraag: “Waarom zitten wij hier in Vlaanderen alleen maar angst te hebben voor al die moslims die hier komen wonen en doen wij geen enkele poging om hen Jezus en het Evangelie te leren kennen?” Ik wil onmiddellijk toegeven dat het mij vooral om het schokeffect te doen was. Het is echt niet mijn bedoeling u op te roepen om alle moslims in uw buurt te bekeren. Maar wel dat wij eens zouden stilstaan bij het feit dat veel christenen in West-Europa zelfs te zwak zijn geworden om hun geloof nog door te geven aan hun eigen kinderen. En daar mag toch iets aan gedaan worden.

Desinformatie
Het verbazend snel verlopen secularisatieproces heeft ons serieus van onze melk gebracht. Maar nu wordt het echt tijd dat wij terug wat assertiever worden. Assertiever, niet agressiever! Ik zal wel de laatste zijn om christenen aan te sporen om in te gaan op de soms erg lage aanvallen tegen het geloof in de sociale media, aanvallen waarvan de toon vooral veel over de auteur vertelt.
Maar waar we ons wel moeten tegen afzetten is de onjuiste informatie in de gewone media. De fictie, de pulp, de leugens en halve waarheden die voortdurend verteld worden over kerk en geloof, in boeken en tijdschriften, op radio en tv, en zelfs in het onderwijs. Natuurlijk, als je als Kerk 2000 jaar lang over een uitzonderlijk grote macht hebt beschikt kan het niet dat je alleen maar goeie dingen hebt gedaan, dat je nooit misbruik gemaakt hebt van die macht.
Macht corrumpeert zelfs de grootste heilige. Maar men moet wel eerlijk blijven. En ook het goede vertellen. En ook het slechte van de “anderen”. Nu wordt het allemaal zo ziekelijk eenzijdig gebracht.

Selectief
Neem nu de kruistochten en de inquisitie, waar men ons voortdurend mee rond de oren slaat en waarover wij ons voortdurend schaapachtig op de borst zitten te slaan. Natuurlijk wil ik die niet goedpraten. Maar, kan daar echt niet objectiever over gesproken worden? Waren de kruistochten in wezen zoveel verschillend van wat het Westen nu met IS doet? Ook de kruistochten waren een antwoord van Europa op de voortdurende invallen en slachtpartijen door moslims in christelijke landen. En de inquisitie, natuurlijk was dat iets verschrikkelijks, zoals er altijd verschrikkelijke dingen gebeuren als ideologieën botsen. Maar de Spaanse inquisitie – zoals die in ons collectieve geheugen is gebrand – is, zoals modern historisch onderzoek uitwijst, heel sterk gekleurd door de Engels-protestantse propaganda. Cromwell liet in zijn katholiekenhaat soms op één dag meer mensen ombrengen dan de Spaanse inquisitie gedurende haar hele bestaan. Maar daar hoor je nooit iets over. Net zomin als over de eerste genocide in de geschiedenis. Toen, eind 18de eeuw, in de Vendeé tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen werden afgeslacht. In de naam van Jezus? Neen. In naam van de Verlichting. Wie hoort daar ooit iets over?

Bedrieglijk
Dat onze tijdgenoten zich steeds minder voor geschiedenis interesseren, maakt dat men zowat alles uit het verleden kan verdraaien zonder dat mensen het merken. “Godsdienst is oorlog”, hoor je dan. Laat ons toch serieus blijven.
Ik ben oprecht democraat maar ik heb niet de indruk dat de huidige seculiere staten vredelievender zijn dan de vroegere religieus-geïnspireerde monarchieën. En van de twee meest moderne en door en door atheïstische ideologieën, het nazisme en het communisme, kan je alleen maar zeggen dat ze alle grenzen hebben verlegd wat betreft mensonterende wreedheid. Laatst zei iemand mij nog maar eens: “Wat hebben ze ons vroeger toch allemaal wijsgemaakt?” Ik heb hem geantwoord: “Ge moest eens weten wat ze u nu allemaal wijsmaken.” Want die man had het over communie op de tong en palmtakken tegen de bliksem. Maar dat heeft niets te maken met bedrog. Wel met verandering van inzicht en aanvoelen. Maar tegenwoordig merk je regelmatig op tv – als er al eens iets positiefs gezegd wordt over ons geloof – in een Amerikaanse film bijvoorbeeld, hoe dat in pure sovjet-stijl wordt weggezuiverd in de ondertiteling. En dat is bewust bedrog.

Weerbaarheid
Wij moeten dat af en toe toch eens hardop durven zeggen. Ik ga daar niet blijven over preken. Maar één keer mag het toch eens gezegd worden. Onze media hier in Vlaanderen zijn helemaal in handen van niet-katholieken. Velen onder hen zijn antikatholiek en weinig objectief in hun berichtgeving. En daarom moeten wij kritisch blijven bij alles wat ze ons voorschotelen. Katholieken hebben op dit ogenblik de Verlichting en de secularisatie helemaal verteerd. Voor ons moeten er geen kruisen hangen in openbare gebouwen. Maar wij moeten wel voor onszelf hetzelfde respect opeisen dat wij hebben voor anderen. En ingaan tegen de voortdurende desinformatie over ons geloof. Op de eerste plaats voor onze eigen mensen. Opdat zij via degelijke informatie en serieus godsdienstonderwijs terug fier kunnen zijn op hun geloof.
Dat is de eerste voorwaarde om zelfs maar te kunnen denken aan een nieuwe evangelisatie.


Hoop
di 10 januari '17

Zondag 8 januari 2017, Openbaring van de Heer – Driekoningen (jaar A)

Waarschijnlijk omdat wij in het Westen meer openstaan voor romantiek en sentiment, is de geboortedag van het kindje Jezus hier bij ons het centrale kerstfeest geworden. Dat was niet altijd zo. En in het oosters christendom, dat altijd al meer naar mystiek neigde, is het openbaringsfeest van vandaag, Gods verschijnen in de wereld, God die zich in Jezus laat kennen als het Licht van de wereld, het centrale kerstfeest gebleven. Mensen zijn altijd al op zoek geweest naar de zin van het leven. Hééft het leven wel zin? Of kan je het afdoen met die beroemde zin van Shakespeare in Macbeth: “Het leven is een stom verhaaltje, verteld door een idioot, met veel geraas en gebrul, zonder ook maar de minste betekenis (signifying nothing).” Heeft het leven zin en betekenis, of is het alleen maar een absurde gril van blinde natuurkrachten?

God van Jezus
We zitten hier bij de kern zelf van het christendom en het antwoord van ons geloof is hier dan ook ondubbelzinnig en klaar. Ons leven, elk menselijk leven, heeft wel degelijk zin. En alles wat ons in dat leven overkomt heeft betekenis, ook al zien wij de betekenis niet en al lijken bepaalde gebeurtenissen betekenisloos en absurd. Alles heeft betekenis. Maar alleen omdat God er is. En dan niet zomaar om het even welke God, maar de God die zich in Jezus Christus aan ons heeft laten kennen. Een God die alles wat ons overkomt, ook ons lijden, in zich opneemt en er zin en betekenis aan geeft. Als die God niet bestaat heeft de oude Macbeth gelijk en is het leven, hoezeer ook overgoten met rijkdom en macht, niets anders dan een onnozel vertelseltje, een absurd opstootje in een eindeloos stil en stom heelal, zonder de minste zin of betekenis.

Kern
Wij geloven dat alles wat gebeurt, alles wat ons overkomt, zin en betekenis heeft. Dát is de kern van wat het kerstgebeuren en heel het Evangelie ons willen vertellen. De kern van het Goede Nieuws dat zij ons brengen. Of, om een wat meer klassieke term te gebruiken: de kern van de Blijde Boodschap. De essentie van dat nieuws, van die boodschap, is niet dat we het leven nu maar moeten ondergaan, later is er immers toch een hemel. Of ook niet dat wij hier hard moeten werken aan een hemel-op-aarde. Dat mag dan allemaal wel waar zijn, maar dat is niet de kern. De essentie van het christelijk geloof is de verzekering dat God zoveel van ons houdt en zo sterk op ons betrokken is dat wij er mogen op vertrouwen dat alles wat ons overkomt, alles wat gebeurt – alles – zin en betekenis heeft.

Bevrijdend
Dat besef gaat je niet meteen constant euforisch maken. Het leven kan je inderdaad nog altijd serieuze slagen toebrengen. Ziekte en dood blijven bestaan. Haat, geweld en onderdrukking ook. Ons geloof voert niet naar die gemaakte blijheid die sommige religieuze mensen zo kan ontsieren. Maar het is wel een krachtig antigif tegen wanhoop. En het geeft je een diepe onderstroom van geluk die niet ongedaan gemaakt wordt door al het nare dat je overkomt.
Omdat je beseft dat alles wat je meemaakt een weg naar Hem zal blijken te zijn. Ooit zullen we helemaal geborgen zijn in GOD en zal blijken dat alles een betekenis had. Die gedachte maakt ook vrij. God is niet iemand die ons scherp in ’t oog houdt en ons dicteert wat we moeten doen en laten. God is een God die ons juist volkomen vrij maakt: juist omdat Hij er is, bestaat er voor ons geen definitieve nederlaag. En precies dat is het Goede Nieuws waarvan ons vandaag gezegd wordt dat het bestemd is voor alle volkeren die door de drie koningen, de drie wijzen, gesymboliseerd worden. Terwijl de sektarische joodse tiran in Jeruzalem alleen maar probeert zijn macht te behouden, vinden mensen van alle talen, op zoek naar verlichting, de weg naar Jezus.

Evangelisatie
Het feest van de Openbaring is daardoor meteen ook een oproep tot evangelisatie en missionering. Alle mensen, van alle tijden en volkeren, zijn voortdurend op zoek naar zin en betekenis in hun leven. Als wij ervan overtuigd zijn dat de God van Jezus de ultieme zingever is, dan is het ook onze plicht om mensen te helpen op hun weg naar Hem. Maar er mag hier geen misverstand bestaan. God wil gevonden worden, niet opgelegd. De sporen in ons leven die naar Hem wijzen zijn eerder bescheiden, zoals ook het licht van de ster dat de wijzen leidde, eerder bescheiden is. Dat licht verplicht niet, zoals de brandende zon dat doet. En dus moet ook onze evangelisatie en onze missionering op dezelfde manier gebeuren. Wij moeten mensen helpen, van waar ze staan, niet overdonderend, niet verplichtend, de weg tonen naar Jezus. We moeten dat doen met oneindig veel respect, net zoals Jezus dat deed.

Vraag
Maar we moeten het wel doen. Doen we dat? Neen. Waarom niet? Waarom zitten wij hier bijvoorbeeld alleen maar angst te hebben van al de moslims die hier komen wonen? En doen wij geen enkele poging om hen Jezus te leren kennen? Laten we daar deze week eens over nadenken. Zie het als huiswerk.
Huiswerk is zelden plezant.


De Moeder van God
ma 02 januari '17

Zondag 1 januari 2017, Heilige Moeder Gods (jaar A)

Voor de laat-Romeinse en de Byzantijnse keizers was het van buitengewoon belang dat Jezus Christus op de eerste plaats gezien werd als God en niet als mens. Ze keerden zich resoluut tegen elke strekking die de menselijkheid van Jezus benadrukte en ze hebben ongetwijfeld ook geprobeerd de concilies in die richting te beïnvloeden. De reden hiervoor ligt voor de hand. Als christelijke keizer was hun eigen macht en majesteit een reflectie van Diegene die ze vertegenwoordigden: Jezus Christus. En daarom kon Jezus voor hen niet genoeg God zijn en moest Maria uiteraard ook vooral gezien worden als de Moeder van God. Om dezelfde reden werd Christus in de basiliekmozaïeken altijd afgebeeld als de Pantocrator, de almachtige heerser over het universum. En ook Maria werd, vooral in de eerste eeuwen, bij voorkeur afgebeeld als de Theotokos, de moeder Gods, hemelhoog verheven boven de gewone mensen.

Vertrouwelijk
Maar die “gewone mensen” hebben zich daar nooit door laten vangen. Natuurlijk geloof je als christen wel degelijk in de Menswording. Geloof je dat in de mens Jezus, God zelf zich heeft uitgedrukt en laten kennen. Dat in Jezus, God als mens onder ons gekomen is. En in die zin is Jezus dus wel degelijk God zelf of Beeld of Icoon van God. En kan je Maria zonder enige terughoudendheid Moeder van God noemen. Maar in de geloofspraktijk van de gewone mens werd Jezus al vlug Onze-Lieve-Heer. En Maria werd “Onze-Lieve-Vrouw” en “Moeder Maria”. Iemand waar christenen heel vertrouwelijk mee omgingen. Een omgang getekend door intimiteit en kinderlijk vertrouwen.
Zo ga je niet om met een godin. Wel met je moeder … Christenen hebben altijd intuïtief aangevoeld wat Jezus bedoelde toen Hij tegen Johannes zei: “Ziedaar uw moeder”. Ook zonder de hulp van theologen voelden ze feilloos aan dat Jezus hier zijn eigen moeder aanstelde tot moeder van al zijn mensen. Opdat wij, ook in hemelse zaken, zouden kunnen rekenen op de tactvolle nabijheid en de liefdevolle genegenheid die alleen een moeder je kan geven.

Bijgeloof
Ach, natuurlijk zijn er ook hier af en toe wel uitwassen geweest. Is er overigens ook maar één menselijke activiteit waar dat niet het geval is? Er zijn inderdaad ook altijd mensen voor wie Maria de plaats van God en Jezus heeft ingenomen. En voor wie de grens tussen geloof en bijgeloof vervaagd is. Maar men moet daar niet te vlug verkeerde conclusies uit trekken en het verschijnsel zeker niet generaliseren: het gaat hier om een verwaarloosbare minderheid. Nu we het er toch over hebben: iets wat vaak over het hoofd wordt gezien is dat bijgeloof zich bijna altijd manifesteert in kringen die met Kerk en geloof niets te maken hebben. Bijgeloof komt vooral voor bij mensen die bij voorkeur zelfs met een zekere minachting spreken over het christelijk geloof en de religieuze praktijk.
Maar ondertussen lezen ze gretig elke horoscoop die ze in handen krijgen, lopen ze rond met een klavertjevier in hun portefeuille en krijg je ze op een vrijdag de 13de met geen paarden de deur uit.

Nabij
Er is natuurlijk ook een meer gezonde argwaan ten aanzien van de Maria-devotie, bijvoorbeeld vanuit de hoek van onze protestantse broeders. Ze hoeven zich echter niet al te veel zorgen te maken. De nogal vertrouwelijke omgang van katholieken met Onze-Lieve-Vrouw draagt er in niet geringe mate toe bij dat ook de afstand tot Jezus en tot God kleiner voor hen wordt. En dat kan alleen maar positief zijn. Zeker in het licht van het kerstgebeuren, waar “de Eeuwige zich overlevert aan de tijd, de Almachtige weerloos wordt als een kind, de Geest vlees wordt in een mens” (H. Servotte). Het is duidelijk dat God ons echt nabij wil zijn. Dat wij onze kinderlijke fantasieën over God moeten achterlaten en ophouden Hem te zoeken in macht en majesteit.

Doel
Het kind in de kribbe heeft daar afstand van gedaan en is in ons midden aanwezig als de kwetsbare, vragende uitnodiging om lief te hebben. En om, zodoende, echt kinderen van God te worden. Want dat is de uiteindelijke bedoeling: dat wij van schepselen waar Hij van houdt (zoals van al het geschapene), echte kinderen, aangenomen zonen en dochters van God zouden worden. Een grotere intimiteit is nauwelijks denkbaar. Maar ondertussen zitten wij wel met een soort “Zeus-en-Jupiter-complex” dat wij gedurende duizenden jaren hebben opgebouwd, een godsbeeld van superlatieven: oneindig machtig, oneindig dit en oneindig dat en, bovenal, oneindig boven ons en oneindig ver van ons verwijderd. De omgang met Maria kan die afstand een beetje overbruggen. Zij wordt onmiddellijk en spontaan herkend als een van ons en tegelijk als de Moeder van God. Vertrouwelijke omgang met haar zal ons daarom ook bijna automatisch binnenvoeren in een meer intieme omgang met God. En dat is toch het uiteindelijke doel.


Vrijgemaakt om te beminnen
ma 26 december '16

Zaterdag 24 & zondag 25 december 2016, Kerstmis (jaar A)

In deze nacht herdenken wij dat God op een welbepaald moment onze geschiedenis is binnengekomen. Het is een absoluut wonderlijk gebeuren, dat wij met ons verstand niet kunnen vatten. Maar daarom is het nog niet onredelijk.
De Menswording van God. Diegene waarvan wij ons uit onszelf geen enkele voorstelling kunnen maken, laat zich kennen in een mens. Hij vermomt zich niet in een mens, zoals de goden dat deden in de mythen. Hij komt werkelijk naar ons toe in de gestalte van een echte, kwetsbare mens. Een kind dat geboren wordt en opgroeit en leert en pijn kent, en vreugde en verdriet. Het is niet onredelijk, het gaat niet tegen ons verstand in. Maar tegelijk kunnen wij het met ons verstand alleen niet helemaal vatten. De rede botst hier op haar grenzen.

Er is méér
Zoals trouwens bij alles wat van existentieel belang is in een mensenleven. Alles wat echt van belang is in ons bestaan, alles wat er de zin aan geeft, alles wat te maken heeft met ons verlangen naar geluk, is niet meetbaar, kan niet met ons verstand verklaard worden. Je leest bijvoorbeeld dat wetenschappelijk onderzoek aan het licht bracht dat wanneer iemand mij aanraakt, er een bepaalde stof in mijn hersenen vrijkomt die maakt dat ik die ander graag ga zien. Geen haar op mijn hoofd dat twijfelt aan de geldigheid van zo’n onderzoek. Als iemand ons aanraakt zullen er, afhankelijk van wie het doet en hoe en waarom, waarschijnlijk allerlei fysische processen in gang schieten en zullen er een heleboel stoffen in ons lichaam vrijkomen. Maar dát gaan aanvoeren als verklaring van wat liefde is tussen mensen, is niet ernstig. Er is méér aan de hand. En het is op dat “méér” dat de mens vooral gericht is. Een mens heeft duidelijk niet genoeg aan zijn eigen begrensde zelf. Hij is wezenlijk gericht op datgene wat hem overstijgt. Maar datgene wat hemzelf en de fysieke wereld overstijgt is per definitie niet te vatten in wetenschappelijke formules. En daarom mag de mens zijn bekwaamheid om te geloven en lief te hebben niet laten fnuiken door de beperktheid van zijn denken.

Geborgenheid
Ik noem ze met opzet samen: geloven en liefhebben. “La religion”, zei een groot Frans chansonnier, “est une question d’amour”. Geloof is op de eerste plaats een kwestie van je bemind en geborgen weten. Het is – wat je ook overkomt in het leven – je geborgen weten in de liefde van Iemand die je oneindig overstijgt.
Toen ik een jongetje was van een jaar of acht moest ik voor vele jaren op internaat. Ik ben daar altijd heel ongelukkig geweest. Maar telkens als ik terug moest naar die kostschool kwam ik voorbij een kerk. En op een dag had de pastoor daar een kruis ingeplant met daarop de tekst “God is liefde”. Op een of andere manier zette dat bericht zich vast in mijn binnenste. En omdat ik er meer en meer vast in geloofde, gaf dat kracht en warmte in mijn voor het overige weinig joyeus pensionaatsbestaan. Ach, ik weet wel dat mensen aan dat soort ervaringen graag een rationele uitleg willen geven. Maar die uitleg heeft nog nooit iemand bevrijd of gelukkig gemaakt. Het bericht op dat kruis, dat God liefde is, wél. Al was het maar dat ene anonieme jongetje dat daar af en toe voorbij reed met de schoolbus en dat heel erg ongelukkig was en nauwelijks naar iets anders durfde te kijken dan naar zijn schoenen. Maar dat er langsom meer op vertrouwde dat de geweldige God van hem hield. En dat bracht licht en warmte en hoop en uitzicht op toekomst in zijn leven.

Liefde
Je kan van God houden, ook al ontsnapt Hij volledig aan je verstand. Een van de verstandigste en meest wijze mensen die ik ken, Gerard Bodifée, die zegt: “God staat boven alle begrippen, boven alle categorieën, boven elke logica”. Als ik getuig van mijn geloof dan wil ik ook niet overtuigen, zie het eerder als een liefdesverklaring. Christelijk geloof is inderdaad, zoals die Franse zanger zei, een kwestie van beminnen en je bemind weten. En wie bemint, voegde hij er aan toe, die is gelukkig. Het ergste wat ons de laatste decennia overkwam is dat voor velen het christelijk geloof verschrompeld is tot een geheel van waarden.
De fameuze “Christelijke Waarden”. Maar ons geloof is juist niet een geheel van waarden, normen en voorschriften. Het christelijk geloof is een geloof dat ons op de eerste plaats wil bevrijden. Dat ons wil vrijmaken om te kunnen beminnen.

Vleugels
Het is een geloof dat ons ervan wil overtuigen dat de Grond van het bestaan ons koestert en van ons houdt. En dat die ons uitdaagt om dat ook zelf te ondervinden in ons eigen leven. Omdat het besef van die liefde je vrijmaakt. Zoals het besef dat een mens heel veel van je houdt, je vrijmaakt en vleugels geeft. En je bekwaam maakt om alles aan te kunnen, wat voor narigheid er ook op je weg komt.
Het besef van Gods liefde voor jou werkt in dezelfde richting. En hoe sterker dat besef, hoe meer je vrijgemaakt wordt, om van andere mensen te houden.
Om je beschermende pels van je af te gooien. Om van een bang konijn dat zich drukt, uit te groeien tot een mens die zich helemaal durft geven. Laat dat boekje over waarden dus nog maar even liggen. En concentreer je weer op het feit dat God liefde is, je heel nabij is en van je houdt. Laten wij terug leren genieten van ons geloof. Van de warmte en de geborgenheid die het ons geeft.


Mens of konijn
di 20 december '16

Zondag 18 december 2016, 4de zondag van de Advent (jaar A)

Ik heb ooit eens ergens gelezen dat zwangerschappen zonder tussenkomst van een man kunnen voorkomen, zij het dan in uiterst zeldzame gevallen. Als erg onhandige poging om de zwangerschap van Maria toch wat meer aannemelijk te maken kan dat tellen natuurlijk. Maar zelfs als het waar is dat zo’n fenomenen zich af en toe voordoen in de natuur, dan nog is de redenering binnen de godsdienstige context volkomen misplaatst. Omdat hier een diep-religieus inzicht wordt gedegradeerd tot een speling van de natuur, een curiosum, een afwijking. En dat wijst dan weer op de neiging om heel de werkelijkheid te verengen tot datgene wat onderzocht, gemeten en geklasseerd kan worden.

Beelden
Het beeld van de maagdelijke geboorte wil ons zeggen dat in de Mens Jezus, God zelf zich op de meest eminente wijze aan ons heeft laten kennen. Zijn geboorte was méér dan het gevolg van de liefde tussen twee mensen, het was vooral een heilsdaad van God. Het beeld van de maagdelijke geboorte wil dat onderstrepen. Het wil ons helpen om open te komen voor een werkelijkheid die niet op de gewone manier kan waargenomen worden en waarvoor onze gewone taal dus ook ontoereikend is. En waar we dus noodgedwongen onze toevlucht moeten nemen tot beelden die iets proberen op te roepen van de diepere werkelijkheid die vermoed wordt achter de zichtbare. Wie deze beelden toch letterlijk neemt, die zegt daarmee dat de religieuze werkelijkheid kan beschreven worden in gewone, beschrijvende, wetenschappelijke taal. Wat een erg … atheïstische benadering is. Hetzelfde geldt voor wat gezegd wordt over Jozef die door God wordt benaderd via zijn dromen. Ook dat is een beeld.

Dromen
Sinds het ontstaan van de eerste mensen werden dromen beschouwd als dé manier van de goden om in contact te treden met de mensen. Om hen te waarschuwen, te bedreigen of tot inzicht te brengen. Ook de Bijbel gebruikt dat beeld regelmatig, waarschijnlijk omdat mensen met die gedachte vertrouwd waren. Moeten wij dan mordicus vasthouden aan de gedachte dat God tot Jozef sprak in zijn dromen? Neen. Hoewel het even dogmatisch ontkennen van die mogelijkheid mij even absurd lijkt. Als ik geloof dat God mij kan aanspreken in een boek, een foto, een blik, een blad op de grond, dan toch ook in een droom.
Belangrijk is echter niet hoe God Jozef aanspreekt maar wel wat Hij van Jozef vraagt en hoe Jozef daarop reageert. En eens we dat door hebben begrijpen we ook dat het Evangelie geschreven is voor ons, dat het over ons gaat. Het gaat over de moeilijke keuzes die wij vaak moeten maken. Het gaat over de vraag of wij wel altijd durven ingaan op wat een teken, een vraag, een voorstel van God zou kunnen zijn.

Konijn
Onze God is niet de oneindig transcendente, oneindig verheven God van de moslims. En ook niet de compleet onpersoonlijke God van de boeddhisten.
De God van de christenen is een heel nabije, een heel intieme God. Een God die ons, juist omdat Hij van ons houdt, ook nooit gerust laat. Die voortdurend in ons leven opdaagt, ons uitdaagt, ons probeert te verleiden, ons zo ver wil krijgen dat wij Hem steeds meer in ons leven laten binnenkomen. Die ons wil helpen om van bange, egoïstische wezentjes uit te groeien tot sterke, liefdevolle mensen die een klein beetje God willen zijn voor anderen. En hier wordt het natuurlijk wel moeilijk. Want, van het ogenblik dat wij besluiten om echt in te gaan op wat God van ons vraagt, van het ogenblik dat wij, van een konijn dat schrik heeft en zich drukt, tot een mens willen worden die zich durft te geven, wordt het serieus.
Het verwijderen van onze konijnenpels is in ieder geval geen plezante onderneming.

Beproeving
Het is trouwens bij voorkeur dán dat geloofstwijfels bij ons binnensluipen.
Geloofstwijfels kunnen opduiken als bijvoorbeeld ons verstand het moeilijk heeft met bepaalde geloofspunten of uitingen van het geloof. Of met het gedrag van mensen die zich christen noemen, of wanneer een zwaar verlies of ongeluk ons treft, of wanneer ziekte of lijden in ons leven komen. Allemaal momenten waarop geloofstwijfels kunnen optreden. Maar niet noodzakelijk. Vaak wordt ons geloof in zo’n crisissituatie juist versterkt. Waar geloofsvragen of geloofstwijfels echter gegarandeerd altijd optreden, is in situaties waarin door het geloof van ons dingen gevraagd worden die ons pijn doen, die ons uit onze comfortzone halen. Onmiddellijk ga ik dan de vraag stellen: “Maar, vraagt God dat wel van mij? God wil toch dat ik gelukkig ben, hoe kan Hij dan willen … “?
Hoe kan God bijvoorbeeld willen dat ik mijn vakantiegeld aan een goed doel geef? Of dat ik iemand vergeef die ook daarna nog zwaar de pest aan mij zal hebben? Maar dat is dus het konijn in mij dat spreekt en angstig is. Terecht. God vraagt soms dingen van ons die niet “plezant” zijn. En daarom is in het
Onzevader het woord “beproeving” ook een betere vertaling dan “bekoring”. Breng ons niet in beproeving. Bekoring gaat over een ‘patéke’ met crème fraîche’. Dat is een bekoring. Beproeving, dat is iets wat je geloof aanvreet en wat je hele wezen kompleet overhoop haalt.


Open komen
ma 12 december '16

Zondag 11 december 2016, 3de zondag van de Advent (jaar A)

Daar heb je hem weer, hoor ik mijzelf denken, ieder jaar opnieuw als wij tijdens de advent geconfronteerd worden met de figuur van Johannes de Doper. Johannes was een bijzonder kleurrijke figuur. Met zijn kameelharen pak en zijn dieet van sprinkhanen en wilde honing kan je hem moeilijk anders dan een excentrieke figuur noemen. Maar, misschien was hij ook op dat punt een voorloper. En wist hij, 2000 jaar geleden al, wat nu algemeen geweten is: dat als je wil dat de mensen naar je luisteren je eerst de aandacht moet trekken door een beetje raar te doen. Bovendien was Johannes niet vies van enig populisme. Hij wist blijkbaar goed dat als je gezagdragers pijnlijk scherp te kijk zet, dat je dan onmiddellijk brede volkslagen mee hebt. Onvoorzichtig genoeg kon Johannes het schelden echter niet laten als hij eenmaal bezig was en begon hij na een tijdje ook zijn eigen fans uit te maken voor addergebroed. En dat doe je beter niet als je lang wil leven. U voelt dat ik weinig moeite doe om mijn gebrek aan sympathie voor Johannes de Doper te verbergen.

Verschil
Omdat Johannes onmiddellijk aan Jezus voorafgaat en Hem ook aankondigt is hij als het ware verdwaald in het Nieuwe Testament. Maar Johannes is 100% oudtestamentisch en 100% Joods. Hij toont in ieder geval weinig verwantschap met de Jezusbeweging die de omknellende banden van het Joodse Messiasgeloof zou afgooien.
Een Joods Messiasgeloof waarvan het Jihad-gehalte toch wel echt te hoog was om op enige affiniteit met Jezus te kunnen aanspraak maken. Beiden, Johannes en Jezus, kondigen de komst van het Rijk Gods aan, maar hoe verschillend is hun visie daarop. Johannes is niet alleen excentriek in zijn voorkomen en zijn manier van leven, ook de woorden en de beelden die hij gebruikt zijn choquerend en angstaanjagend. Volgens hem kan het Rijk Gods alleen maar gevestigd worden als eerst de maatschappij er helemaal voor klaargemaakt is: als de zondaars zich bekeerd hebben of over de kling zijn gejaagd. Het is een typisch ideologische kijk op de komst van het Rijk Gods. Een ziekte die elk godsdienstig geloof voortdurend bedreigt: het gelijkstellen ervan met politieke acties.

Bekering
Voor Jezus moet noch jijzelf, noch de maatschappij eerst bekeerd worden voordat het Rijk Gods kan komen. Voor Hem valt die komst helemaal samen met de bekering. Wanneer ik mij bekeer houdt dat een dubbele beweging in. Het is mij afkeren van en mij toekeren naar. Het houdt in dat ik mij afkeer van mijn natuurlijke gerichtheid op mezelf om mij toe te keren naar de ander. Dat ik mijn hebzucht, mijn heerszucht en agressiviteit aan banden leg om open te komen voor een meer liefdevolle manier van leven. En hoe meer ik open kom voor die andere manier van leven, hoe meer er iets gaat oplichten van het Rijk Gods.
Ik zeg met opzet “open komen”. Want ik moet die andere manier van leven die bekering inhoudt niet uitvinden of als een opgave, als een verplicht nummertje invoeren. Neen, die andere manier van leven is al, als verlangen, diep in mij aanwezig. Het moet alleen maar bovengehaald worden.

Snoeien
En zelfs dat doet God. Ik moet alleen maar meewerken. Ik moet – om een wat ondergesneeuwd woord terug naar boven te halen – ik moet alleen maar met de Genade meewerken. Want bekering is een genade, is een geschenk. Maar ik kan er serieus aan meewerken door aandachtig te letten op mijn doen en laten, mijn spreken en mijn handelen. En om stap voor stap alles weg te snoeien wat de genade, het komen van God in mijn leven kan tegenwerken. Want dat is wat bekering inhoudt: het komen, het toelaten van God in mijn leven, waardoor ik op een heel andere manier ga leven. Waardoor ik de tranen, de nood en de vragen ga zien in het gelaat van de ander. En ik met heel mijn leven een antwoord word op de vraag van Kaïn: “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder”? Helemaal aan het begin van de Bijbel vraagt God aan Kaïn, die zijn broer vermoord heeft, waar is uw broer. Waarop Kaïn geïrriteerd antwoordt: ben ik soms de hoeder van mijn broeder. Welnu, al die duizenden bladzijden Bijbel die daarop volgen zijn één lang uitgesponnen antwoord op die vraag. En dat antwoord is: “Ja, ik bén de hoeder van mijn broeder.” En de dag dat ik, dankzij mijn bekering ook als zodanig ga leven, breekt er iets door van het Rijk Gods in mijn leven, en in dat van mijn onmiddellijke omgeving.

Niet ingewikkeld
Mijn bekering is niet zozeer een voorwaarde opdat het Rijk Gods zou komen, ze valt er mee samen. Mijn bekering = de komst van het Rijk Gods.
Ik moet dus geen landen en zeeën doorkruisen om de komst van het Rijk Gods voor te bereiden. Ik moet gewoon nadenken en stappen zetten die mijn persoonlijke bekering dichterbij kunnen brengen. En die bekering is vaak veel eenvoudiger en gemakkelijker dan algemeen wordt gevreesd. Soms gaat het er gewoon om, een paar dingen te laten. Bekering, dat is soms niet meer dan gewoon een paar dingen niet langer doen. Meer niet. Kleine stappen, maar met enorm deugddoende gevolgen voor mezelf en voor anderen.


Verder zien
ma 28 november '16

Zondag 27 november 2016, 1ste zondag van de Advent (jaar A)

De evangelisten maken nogal eens gebruik van apocalyptische verhalen, verhalen met schrikwekkende visioenen over wat er gaat gebeuren op het einde der tijden. Het was in Jezus’ tijd een heel populair genre, de mensen waren er gewoon op verzot. Wij daarentegen hebben daar duidelijk minder behoefte aan. De beelden over rampen, hongersnood en oorlogen die dagelijks onze huiskamer binnenkomen, de horror van de reële wereld zoals die nu is, overtreft duidelijk de fictie over wat het einde ervan zou kunnen zijn.

Waakzaamheid
Jezus maakt gebruik van dit populaire genre, niet om mensen schrik aan te jagen, dat zou ingaan tegen zijn hele manier van zijn, maar als een middel om ons tot uiterste waakzaamheid aan te sporen. De waarschuwing om erop bedacht te zijn dat de dood ons op elk moment en totaal onverwacht kan treffen komt niet alleen overeen met onze ervaring in onze eigen omgeving, maar ze wordt ook regelmatig herhaald in het Evangelie. De reden daarvan laat zich raden. Het bedoelde effect is zeer waarschijnlijk dat we op elk moment van ons leven klaar zouden zijn om Jezus te ontmoeten en niet alleen maar aan het einde van ons leven. En dat we er dus voortdurend werk van maken om ons, naar het woord van Paulus, “te ontdoen van de werken van de duisternis om ons te wapenen met het Licht”. Zodat we, op elk moment, klaar zijn om Jezus te herkennen en God in ons leven binnen te laten. Want Jezus komt echt niet alleen maar als ons rolletje af is, Hij komt voortdurend kloppen aan onze deur om, op de meest onverwachte momenten en op de meest ongewone manieren, ons leven binnen te komen.

Verschuiven
Maar zolang wij nog niet echt aan het eind van ons Latijn zijn, hebben wij wel andere dingen aan ons hoofd dan te wachten op Jezus. En Hij kan uiteindelijk alleen maar kloppen. Wij moeten Hem opendoen. Dat is de consequentie van onze vrijheid. Een vrijheid die eigenlijk een soort van permanente troonsafstand van God inhoudt. Maar Hij heeft het zelf zo gewild. Een veelvoorkomend gevolg van die vrijheid is natuurlijk dat wij nogal eens de neiging hebben om alles wat te maken heeft met God, met bekering, met christelijk en liefdevol leven, zoveel mogelijk te verschuiven naar het laatste deel van ons leven. Hoewel niemand van ons weet wanneer dat laatste deel begint of eindigt.
Dat is overigens een erg zwakke houding, die voor Jezus niet echt kan. Een christen zou een mens uit één stuk moeten zijn. Iemand die consequent in zijn daden toont wat hij in geloof belijdt. Niet morgen, maar vandaag.

Hoe?
Wij moeten dus voortdurend alert zijn op het komen van God in ons leven, het aankloppen van Jezus aan onze deur. Om echt alert te kunnen zijn moeten we natuurlijk op de eerste plaats weten waar we moeten naar uitkijken. Want Jezus is geen opera-God die verschijnt met veel theatereffecten van rook en donder en bliksem. Als Hij komt is dat altijd op een enigszins verborgen manier. Als Hij komt is dat vaak in een misleidende gedaante. Wat meteen ook verklaart waarom zelfs zijn beste vrienden Hem niet meteen herkenden toen Hij aan hen verscheen vlak na zijn verrijzenis. Die verhullende gedaante – want misleidend is een wat negatief woord – die verhullende gedaante waarin Hij ons tegemoetkomt, kan letterlijk van alles zijn. Het kan een vriend zijn, een collega. Het kan de blik van een kind zijn. Maar evengoed een boek dat ons ontroert, een film die ons leven een stuk verandert, een foto, een dood blad op de grond. Alles wat ons even doet ophouden met hollen, alles dat maakt dat wij even opkijken van onze dagelijkse slobber. Alles wat ons laat openkomen voor dingen die belangrijker zijn en dieper gaan dan eten en drinken en geld en carrière. Alles wat ons even een blik  gunt in de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Alles wat ons even een blik gunt in de echte werkelijkheid, niet de fantasie ervan.

Waarom?
Ook de reden waarom Jezus komt kan heel verschillend zijn. Het kan zijn om ons te troosten, om ons geloof in Hem te verdiepen, om ons voor kwaad te behoeden, om ons inzicht te geven of om ons gewoon gelukkig te maken.
In de advent gaat onze aandacht echter vooral naar Jezus die in ons leven komt als een appél. Als een dringende oproep om Hem te zien in de armste, in de meest hulpbehoevende van onze broeders. Jezus die aan ons verschijnt in de gedaante van een vluchteling die zijn hand naar je uitsteekt, een zieke die je angstig en vertwijfeld aankijkt, een vrouw die in de steek gelaten werd, een man die zijn werk en goede naam verloor. Jezus vereenzelvigt zich met hen. In hen komt hij vragend naar ons toe. Om bijstand en begrip. Om hulp. En terwijl je je openstelt om Jezus zelf te zien in de mens die vragend naar je toekomt, terwijl je bezig bent met in te gaan op het appél en hulp te bieden aan de arme die met uitgestoken handen naar je toekomt, voltrekt er zich iets wonderlijks aan jezelf.
Diep in jou gebeurt de overgang van advent naar Kerstmis. Terwijl je ingaat op het appél van de mens-geworden God, gebeurt die menswording voor een stuk opnieuw, diep in jezelf.


Terug naar de kern
di 22 november '16

Zondag 20 november 2016, 34ste zondag door het jaar (jaar C) – Feest van Christus Koning

“Jezus Christus, Koning van het heelal”, dat is nog altijd de officiële naam van het feest van vandaag. Bij de Chiro zongen ze dan vroeger altijd van “aan U, O Koning der eeuwen”. Een zweem van bombastische retoriek, van klaroengeblaas en trommelgeroffel heeft altijd al rond dit feest gehangen.
En dat komt gewoon omdat het ontstond in de jaren 20 van de vorige eeuw. En wel als christelijk antwoord op de overal opkomende fascistische en communistische jeugdbewegingen. Van dat fascisme en dat communisme is intussen alleen nog een afschuwelijke herinnering over. Terwijl de Kerk, hier in het Westen, een nooit geziene crisis doormaakt. Niet alleen heeft de Kerk veel te laat de enorme invloed van de massamedia onderkend. Maar, mede daardoor, heeft ze ook de verwoestende kracht leren kennen van zowel het alles naar beneden halend relativisme als van het hautaine wetenschapsfundamentalisme. Twee levenshoudingen waarvan de massamedia helemaal doortrokken zijn.
Twee ogenschijnlijk tegenstrijdige houdingen, die geen enkele andere opvatting naast de hunne dulden en die heel het publieke domein beheersen.

Jezus
Voor gelovigen is ondertussen, meer nog dan voorheen, duidelijk geworden dat Jezus Christus in het centrum van ons geloof staat. Niet een of andere theologie, niet een Kerk of een strekking, maar de persoon van Jezus Christus zelf. Dat wil dus zeggen, niet meer of niet minder, dat je christen bent in de mate dat je een persoonlijke band hebt met Jezus Christus. Ik had willen zeggen “relatie”, maar dat klinkt dan zo zwaar en zelfs een beetje raar, en toch is het precies dat wat ik bedoel. Ik ben alleen maar christen in de mate dat Jezus echt iets betekent in mijn leven. In de mate dat ik Hem bij alles in mijn leven betrek. In de mate dat ik met Hem spreek, zowat alles in mijn leven met Hem bespreek. In de mate dat ik -dat vooral- mij door Hem laat vormen, laat omvormen. In de mate dat ik naar zijn ingevingen luister en erop inga. In de mate dat ik toelaat dat Hij tot leven komt in mij. Er zijn mensen die -vaak beroepsmatig- hun hele leven praten over God, zonder dat ze in God geloven, hoewel ze dat zelf soms niet doorhebben. Het grote en ook enige criterium in deze is niet of je praat over God maar of je ook praat tegen God, of je m.a.w. bidt. Dat is hét criterium van geloof.

Alibi
Ik denk dat wij de laatste vijftig jaar veel te veel gepraat hebben over God.
Geloven was zo’n beetje hetzelfde geworden als praten over God. Maar in feite was dat praten over God heel vaak een alibi, iets dat het echt geloven moest vervangen. U kent het wel: de Bijbelgroepen, de discussiegroepen, de studiedagen, forums en colloquia. Met onderwerpen als: “De leek in de Kerk”, “De vrouw in de Kerk”, “Geloof en wetenschap”, “Progressief en conservatief”, enz. En dat mag dan allemaal erg interessant en soms zelfs nuttig geweest zijn, vaak diende het ook ter vervanging van het geloven zelf. Ik denk ook aan de honderden Vlamingen die in Leuven godsdienstwetenschappen (het woord alleen al!) gingen studeren en waarvan er velen juist daar hun geloof verloren. Omdat het geloof er niet verhelderd werd en doorgegeven, maar integendeel als een curiosum VAN BUITENAF bestudeerd werd. Zoals je een taal bestudeert, of een préhistorisch skelet dat ergens opgedolven werd.

Kerkgebouwen
Op dit ogenblik zie je zeer duidelijk weer zo’n alibi-item opduiken.
Wij moeten kost wat kost voorkomen dat wij de volgende tien jaar ons laten meeslepen in eindeloos gepraat en gediscussieer over “Wat met onze kerken?”
Wij zijn een kleine gemeenschap geworden. Als wij het geloof hier in het Westen willen doorgeven aan de komende generaties, dan moeten we ons helemaal op dat geloof concentreren. Dan moeten wij onze broers en zusters in het geloof bevestigen en versterken. Een hechte en warme gemeenschap worden.
En wegen zoeken om het geloof door te geven aan onze kinderen. Ook via onze scholen. Dan kunnen wij dat gehakketak over kerkgebouwen missen als kiespijn. Wij moeten ons terug helemaal concentreren op het geloof. En op het centrum van dat geloof: de persoon van Jezus Christus. Gebouwen zijn bijkomstig.

Begrip
Ik zeg dit uiteraard als gelovige. Ondertussen heb ik natuurlijk heel veel respect en sympathie voor kerkfabrieken en gemeentebesturen die gewetensvol zoeken naar een oplossing voor het probleem van de “overtollig” geworden kerkgebouwen. Maar puur gezien vanuit het geloof, zijn kerkgebouwen bijkomstig: het hele kerkelijke leven mag daar niet op toegespitst worden. Zeker niet op het krampachtig willen behouden van elke kerk. Soms hoor je zeggen: we moeten onze kerken behouden voor als er later terug een heropleving komt. Dat is, zacht gezegd, geen goed argument. Als er later een heropleving komt (waar ik sterk in geloof) dan staan er onmiddellijk terug nieuwe kerken in ons landschap. Op dit ogenblik hebben wij echt geen tijd en energie meer om ons nog bezig te houden met iets anders dan met het geloven zelf. Het gaat vandaag om de toekomst ervan. Het geloof in Jezus Christus, met wie je als gelovige een persoonlijke relatie wil opbouwen.


Leuk is anders
di 15 november '16

Zondag 13 november 2016, 33ste zondag door het jaar (jaar C)

Alleen voor wie er nogal vlug overheen walst is dit stukje Evangelie een 2000 jaar oud horrorverhaal over het einde der tijden. Een angstaanjagende en erg plastische beschrijving van alle verschrikkingen die ons dan te wachten staan.
Wie echter scherper toekijkt merkt dat dit een beschrijving is van de wereld zoals die is, zoals die altijd geweest is en waarschijnlijk ook altijd zal zijn.
Een wereld die voortdurend kreunt onder natuurrampen en oorlogsgeweld.
Een wereld waarin mensen niet alleen ten onder gaan aan ziekten en hongersnood, maar ook aan hun eigen onvermogen om een beetje menselijk om te gaan met elkaar. Onze wereld dus. Niet de wereld op het einde der tijden, maar de wereld zoals hij is. De wereld waarin wij moeten leven. En dat is niet alleen de wereld waarin we leven, dat is ook de wereld waarin we ons christen-zijn moeten beleven. Het is een wereld waarin de tintelende frisheid van uitdagend werk en inzet afwisselt met zalige uren van rust. En van genieten van liefde en vriendschap, van een goed boek, een warm huis en van de trouwe ogen van je hond. Maar evengoed is het een wereld van vijandschap, van ontrouw en jaloezie, van ziekte, eenzaamheid en dood.

Wezenlijk
Al deze dingen, lieve dingen, aangename dingen, verrukkelijke dingen die ons tot extase brengen, gaan hand in hand met dingen die ons pijn doen, ons angstig maken, ons met afschuw vervullen. En al deze dingen maken wezenlijk deel uit van onze wereld. Toen ik jong was leerden wij een gedicht op school en ik herinner mij dat elk vers dat een opsomming was van allerlei steeds terugkerende feiten en situaties, afgesloten werd met een erg naargeestige, bijna griezelige zin: “En dat dit zo zal zijn en altijd blijven zal, dit zijn de dingen die niet overgaan”. Dit is onze wereld, er is geen andere. Wie zit te wachten op een wereld waarin alleen maar leuke en aangename dingen gebeuren, die heeft duidelijk de trein voor Utopia genomen en leeft buiten de werkelijkheid. De echte wereld is anders. En het is in die, de echte, wereld dat wij ook ons christen-zijn moeten beleven.

Ongelijk
Soms hoor je mensen zeggen: “Ik kan niet meer geloven na alles wat ik heb meegemaakt. Ik heb in mijn leven te veel slagen moeten incasseren, te veel onrecht moeten ondergaan om nog te kunnen geloven in een God die van me houdt”. Je kan daar gewoon niet anders dan begrip en respect voor opbrengen.
Niet ieders kruis is even groot, zoveel is duidelijk. Er zijn nu eenmaal mensen die hun hele leven in het hoekje zitten waar de slagen vallen. En valt er ergens in de wereld een steen uit de lucht, dan staan zij er zeker onder. Dat zijn feiten. Dat is gewoon een zeer brutaal gegeven dat op geen enkele wijze weg te redeneren valt. In onze wereld, in ons leven bestaan goed en kwaad, geluk en ongeluk, ziekte en gezondheid, aangenaam en onaangenaam, lijden en plezier naast en door mekaar. En vooral: zeer ongelijk verdeeld. Je kan daar niet in shoppen. Je kan niet zeggen: ik wil alleen maar van dit en van dat en al de rest moet ik niet hebben. Je krijgt gewoon van alles een deel, al is – zoals gezegd – niet ieders portie van alles even groot. Maar dát is in ieder geval de werkelijkheid.

Fantasie
Het rare is nu dat wij dat weten en toch bestaat er zoiets als een ongeschreven geheimzinnige wet of samenzwering om dat te ontkennen. En om te doen alsof het normale is dat wij gelukkig zijn en welstellend en gezond en dat het normale is dat wij alleen maar aangename en gelukkige ervaringen hebben. En als dit niet zo is, dat er dan “iets niet klopt”. De redenering “ik heb al te veel meegemaakt en te veel slagen van het leven gekregen om nog te geloven”, vertrekt helemaal vanuit dit verkeerde uitgangspunt. Nogmaals, ik zeg dat met het grootste respect voor mensen die de ene dreun na de andere moeten incasseren, en ik ben zeker ook geen propagandist van een soort fatalisme, zo van “het is nu eenmaal zo, wat doe je eraan”. Zeker niet. Maar het is denk ik absoluut noodzakelijk om de fantasiewereld waarin alles goed geordend, aangenaam en leuk verloopt te verlaten om met beide voeten in de echte wereld te gaan staan. In de eerste plaats al om niet voortdurend gefrustreerd en kwaad naar God te kijken, telkens als er iets misloopt in mijn leven.

Opdracht
De wereld is zoals hij is. En ook de mensen zijn zoals ze zijn. De een dik, de ander dun. De een verstandig, de ander dom, de een vol liefde, de ander heel gemeen. Met alle nuances daar tussenin. En al die fraaie en minder fraaie dingen leven bovendien ook nog eens in mij. En met al die allesbehalve ideale eigenschappen van mijzelf en van u allen, moeten wij leven in een allesbehalve ideale wereld. Maar het is onze wereld. En ik ben ik en u bent u. En daarmee moeten we het doen. Dat is juist onze opdracht. In een onaffe wereld moet ik proberen met mijn superindividuele eigenschappen en gebreken een mooi en zinvol leven uit te bouwen. Moet ik proberen van mijn leven iets moois te maken voor God.


Onze vrienden van de pers
di 08 november '16

Zondag 6 november 2016, 32ste zondag door het jaar (jaar C)

Het verhaal van Zacheus dat we vorige week nog lazen toonde ons Jezus eens te meer als iemand die op zoek gaat naar mensen die uitgestoten worden, om hen terug in de kring van de gemeenschap te plaatsen. Iemand die erop uittrekt om armen, zieken en zondaars, om mensen die leven aan de rand van de samenleving op te richten, hen te bevestigen en hun te zeggen dat ze er helemaal bij horen. Om hen op het hart te drukken dat ook zij door God bemind worden en recht hebben op het respect en de genegenheid van anderen. En uiteraard kan je ervan uitgaan dat Jezus van zijn volgelingen (wij dus) precies dezelfde houding verwacht. Alleen, er is met die volgelingen van Hem een klein probleem wat dat betreft. Op dit ogenblik zijn wij als christenen hier in het Westen zélf een beetje randfiguren geworden. Tenminste toch als je de pers wil geloven.

Reden
Hoe komt het eigenlijk toch dat onze pers altijd zo negatief is als het over Kerk en geloof gaat? Dat kan toch niet alleen verklaard worden door het feit dat, in vergelijking met de rest van de bevolking, een zeer onevenredig aantal journalisten zelf niet gelooft. En inderdaad, de echte reden is een heel andere.
En die echte reden vond ik een tijdje geleden bij een journalist zelf. Hij schrijft: “De reden waarom wij over Kerk en geloof vaak negatief berichten en zelden iets positiefs daarover het nieuws haalt, is dat mensen op dit ogenblik dat zo willen. Wij moeten verkopen en wij brengen dus nieuws in een verpakking die de mensen aanstaat en hen zeker niet tegen de haren instrijkt. Welnu, op dit ogenblik zijn de meeste mensen niet opgezet met positief nieuws over geloof.” “Wij leven”, zegt psychiater Dirk De Wachter in zijn jongste boek, “in een opgefokte genotscultuur, waarin materialistische pretparkillusies de leegte moeten opvullen.”

Storend
Het spreekt vanzelf dat in zo’n situatie heel veel mensen positieve berichtgeving over het geloof als een storende factor ervaren, omdat ze dat geloof nog maar net de rug toegekeerd hebben. En ook onder gelovigen merk je trouwens een duidelijk meer losjes omspringen met de leer en de kerkelijke voorschriften.
Als al die mensen nu aan iets de pest hebben, dan is het wel erop gewezen te worden dat ze zich vergist hebben, dat ze een verkeerde keuze gemaakt hebben. Of dat, zoals de genoemde psychiater dat doet, hen onder de neus gewreven wordt dat die genotscultuur en die materialistische pretparkillusies de leegte niet opvullen maar ze alleen maar groter maken. Een tijdje geleden had een hedendaags schrijver het over een pijnlijk beeld dat op zijn netvlies gebrand bleef: een meisje op Tomorrowland dat heel alleen aan het dansen was en ondertussen een foto van zichzelf, een selfie nam. Te midden van tienduizenden leeftijdsgenoten en oorverdovend lawaai: een afgrond van leegheid en eenzaamheid. Maar mensen horen dat niet graag. En dus brengt de pers zo weinig mogelijk positief nieuws over Kerk en geloof, eerder het negatieve, eerder datgene dat hen die afstand genomen hebben van het geloof, gelijk geeft.
Niet zozeer dus omdat de journalisten tegen het geloof zijn, maar omdat de meeste mensen er op dit ogenblik niet voor openstaan. Goed nieuws over geloof maakt hen ongemakkelijk, werkt op hun zenuwen.

Onderzoek
Een heel goed voorbeeld hiervan is het onderzoek naar de correlatie tussen geloof en gezondheid. Mensen zijn in onze tijd geweldig geïnteresseerd in alles wat met gezondheid te maken heeft. In alles, in elk middel, in elke behandeling, in elke pil of plant of kuur of oefening of dieet die ervoor zouden kunnen zorgen dat we gezonder, mooier en vooral langer leven. Jammer natuurlijk dat zowat alles wat ons vandaag hiervoor wordt aangeprezen, morgen door nieuw onderzoek wordt onderuitgehaald. U kent de voorbeelden: melk bv., jarenlang hét wondermiddel, blijkt nu ineens al heel wat minder ideaal. En koffie, jarenlang “een puur vergif”, blijkt nu ineens onze krachtigste antioxidant.
Er is eigenlijk maar één resultaat dat nu al decennia lang in elk wetenschappelijk onderzoek wordt bevestigd en dat is de positieve correlatie tussen geloof en kerkbetrokkenheid enerzijds en gezondheid en langer leven anderzijds. Die relatie staat als een huis en wordt keer op keer door elk onderzoek, waar ook ter wereld, opnieuw bevestigd. Stel u voor dat het om een pil of een plant ging waarvan men ontdekt had dat ze absoluut zeker ons leven verlengt, onze kranten en tijdschriften stonden er vol van en de televisie zou er eindeloze reeksen en praatprogramma’s aan wijden. Nu het over geloof gaat, moet je die berichten met het vergrootglas gaan zoeken.

Kalm blijven
Hoe moeten wij nu met die situatie omgaan? Wij moeten daar rustig in blijven en als christenen eenvoudig ons ding blijven doen. Dit is een schoolvoorbeeld van een situatie die uiteindelijk zichzelf zal oplossen. God bestaat gewoon, en alles wat wordt aangedragen om Hem te vervangen stelt teleur, blijkt een illusie te zijn en maakt mensen niet gelukkig. Wij moeten gewoon blijven vertrouwen op God en onverstoorbaar doen wat Jezus ons heeft voorgedaan. Houden en genieten van het leven. Maar ook mensen nabij zijn waar niemand nog naar omziet, die arm zijn of ziek of angstig of verdrietig of onder zorgen gebukt gaan.
Iedere mens die op onze weg komt in z’n waarde laten en respecteren, ook als hij anders is of denkt dan wij. En oog en aandacht hebben voor wie gemeden wordt.
Wij moeten ons echt geen zorgen maken over het hedendaags antigodsdienstig lawaai in de media. Het zijn de toeters en de bellen die de leegheid van het alternatief moeten overstemmen. Wij hebben echt wel wat anders te doen dan ons daarover zorgen te maken.


Pagina's